Wat doet een permacultuur-ontwerper (deel 1)?

Ik kan uitleggen dat een permacultuur-ontwerper natuurlijke systemen optimaliseert. Ik kan benoemen dat een permacultuur-ontwerper kringlopen uitdenkt die omgevingen onophoudelijk verrijken in plaats van verarmen.

Maar ik merk dat die zinnen voor toehoorders holle woorden blijven. Luisteraars kunnen er zich niks bij voorstellen. Daarom… neem ik jullie vandaag mee op wandel doorheen een praktijkvoorbeeld.

Bovenstaande is een schets van een uitgangssituatie, die recent bij mij als permacultuur-ontwerper kwam voor verbetering. Het gaat om een vroegere graasweide op een westgerichte helling in de Belgische Ardennen. De schets toont hoogtelijnen (van 60 tot 64) en al aangeplante bomenrijen. Er werden geen grondwerken of andere aanplantingen gedaan.

De boomgroottes zijn verhoudingsgewijs getekend: een grotere boom op de tekening is een grotere boom in werkelijkheid. Een kleinere boom op de tekening is in realiteit een kleinere boom.

Het 1e wat je als permacultuur-ontwerper doet, is de flow van energie doorheen en verliezen in het systeem in kaart brengen.

Concreet maak je analyses voor volgende elementen:

Water:
Op deze grond wordt water op geen enkele wijze opgevangen. Noch door geulen of waterbekkens, noch door bomen. Meer nog, de bomen zijn loodrecht op de hoogtelijnen aangeplant. Dit zal het water juist sneller de heuvel af doen stromen en ertoe leiden dat grond en voedingsstoffen meegesleurd worden. Deze uitgangssituatie is m.a.w. dè katalysator voor erosie.

Beter is om geulen ( = swales of wadi’s) te graven op de hoogtelijnen, de uitgegraven grond op het lager gelegen gedeelte achter de geulen in een soort van heuvelrug te leggen en bomen op of juist achter die heuvelruggen aan te planten. Op die manier zorgen de geulen ervoor dat het water dat de heuvel afstroomt geremd wordt. Het wordt in de geulen verzameld, extra tegengehouden door de heuvelruggen (met boomwortels) erachter en krijgt op die manier de kans langzaam de grond in te sijpelen.

Naast de geulen zouden er op verschillende plekken vijvers voorzien kunnen worden. Als je goed naar het landschap kijkt, vind je vanzelf de juiste plekken voor waterpartijen. Vaak zijn het de stukken waar de helling een plateau vormt of waar de heuvel van bol naar hol overgaat.

Wind:
In België komt de wind overwegend vanuit westelijke richting. Net zoals de bomen corridors voor watervloed en erosie vormen, vormen ze (in tegenovergestelde richting) corridors voor de wind. Tussen de rijen bomen zal de wind vanuit het westen behoorlijk hard waaien, 15% sneller dan buiten de bomenrijen. Ideaal zou daarom zijn om een dwarse bomenrij (parallel aan de hoogtelijnen) aan de westzijde te voorzien. De wind wordt dan omhooggeduwd en zal een tijdlang over de beplanting heengaan. In een vlakte komt de wind na 7 à 8x de hoogte van de beplanting opnieuw neer. Op een oplopende helling, zoals hier, gebeurt dat iets eerder. Idealiter houd je hier rekening mee door meerdere windbrekers te voorzien. Zeker in combi met de zonnesituatie vanuit het westen (zie verder).

Zon:
De bomen aan de westzijde zijn kleiner dan die aan de oostzijde en dat is eigenlijk best goed. De westenzon is namelijk de warme zon van de dag. Die wil je echt graag benutten. Dat klinkt misschien onmogelijk, want de wind vanuit het westen wil je blokkeren. Beide, zon opvangen en wind blokkeren, kunnen echter perfect samengaan door in plaats van 1 hoge meerdere lagere windkeringen achter elkaar te voorzien.

Soms stellen ontwerpers voor om boomrijen in noord-zuid-richting te plaatsen. Op die manier worden de bomen langs beide zijden (oost en west) beschenen en ontwikkelt de kruin zich evenwichtiger. Tussen de bomenrijen blijft het langs 1 zijde echter donkerder. Is een gelijkmatige kruingroei minder belangrijk dan een productieve onderbegroeiing, dan is het best goed dat de bomen, zoals hier, in oost-west-richting staan.

Vorst:
De helling is westgericht. Dat is goed, bij oostgerichte hellingen (die minder goed opwarmen, omdat ze uitsluitend gebruik kunnen maken van de koelere ochtendzon, niet van de hete middag- en warmere avondzon) heb je namelijk meer kans op vorstschade. Zoals de bomen nu staan, wordt de vorst niet tegengehouden op haar weg naar beneden. Vorst glijdt immers hellingen af. Zouden we het westen gaan afschermen met bomenrijen, dan wordt de vorst wel tegengehouden en is de kans op vorstschade groter. Dit is iets om alert op te zijn bij het intekenen van een windbreker in het westen.

Met deze analyses in mijn achterhoofd teken ik een verbeterd vorm- of structuurplan uit.

(Vaak, maar dit is voor mij meer een intuïtief gegeven, laat ik me bij het uittekenen van dat nieuwe structuurplan ook leiden door natuurlijke vormpatronen, die zich op de site tonen.)

Kan de eigenaar zich in het nieuwe structuurplan vinden, dan gaan we samen door naar deel 2. Deel 2 is voer voor een volgende blog, maar ik verklap graag al dat speuren naar signaalplanten en onderzoek van de bodemgesteldheid er onderdeel van uitmaakt. 😉

Tot straks, bij deel 2. 🙂

Add a Comment

Your email address will not be published. Required fields are marked *